Liturgie Gebedsvesper

Voor de live-uitzending start de media hieronder. De liturgie kunt u meelezen onder dit mediavenster

Vesper 5 augustus 2020 in  vGK Boornbergum/Kortehemmen
Thema:  Kleren maken de man

Voorganger: ds K.J.Bijleveld
Techniek: Berend-Lieuwe Bijleveld

Voor aanvang vesper:
Looft den Heer met: ‘St. Casimir Choral Fantasy.’

Koorzang: Gez.293
Wat de toekomst brengen moge,
mij geleidt des Heren hand;
moedig sla ik dus de ogen
naar het onbekende land.
Leer mij volgen zonder vragen;
Vader, wat Gij doet is goed!
Leer mij slechts het heden dragen
met een rustig, kalme moed!

Heer, ik wil uw liefde loven,
al begrijpt mijn ziel U niet.
Zalig hij, die durft geloven,
ook wanneer het oog niet ziet.
Schijnen mij uw wegen duister,
zie, ik vraag U niet: waarom?
Eenmaal zie ik al uw luister,
als ik in uw hemel kom!

Laat mij niet mijn lot beslissen:
zo ik mocht, ik durfde niet.
Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet!
Wil mij als een kind behandlen,
dat alleen de weg niet vindt:
neem mijn hand in uwe handen
en geleid mij als een kind.

Waar de weg mij brengen moge,
aan des Vaders trouwe hand,
loop ik met gesloten ogen
naar het onbekende land.

Welkom

Lezen: Psalm 89 : 1 – 10 (NBV)
Een kunstig lied van de Ezrachiet Etan.
 
2 Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen,
van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.
3Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand,
uw trouw hebt u in de hemel gevestigd.
4 ‘Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,
aan mijn dienaar David gezworen:
5 Uw dynastie zal ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.’ sela
6 HEER, laat de hemel dit wonder prijzen,
laat de kring van hemelingen u loven om uw trouw.
7 Want wie daar boven kan de HEER evenaren,
wie van de goden zich meten met de HEER,
8 met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen,
gevreesd bij allen die hem omringen?
9 HEER, God van de hemelse machten,
HEER, wie is zo sterk als u?
Trouw omhult u als een mantel
10 U heerst over de hoog rijzende zee –
verheffen zich haar golven, u brengt ze tot rust.
 
Zingen: Ps.104 : 1
Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht.
Bekleed is Hij met majesteit en pracht,
het licht heeft Hij als mantel omgeslagen,
Hij maakt de wolken tot zijn zegewagen.
Hij die de hemel uitspant als een tent,
Hij bouwt zijn zalen in het firmament.
Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven,
storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven.

Schriftlezing: Gen. 37 : 1 – 5 en 20 – 34(NBV)
1 Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader gewoond had. 2 Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.

Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders vrouwen Bilha en Zilpa, en alle praatjes die over zijn broers de ronde deden vertelde hij aan hun vader door. 3 Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren. 4 De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af.

 
De mannen krijgen zo een hekel aan Jozef dat ze hem willen vermoorden: Dan lezen we:
20 Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ 21 Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen,’ zei hij. 22 ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan. 23 Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, 24 en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna gingen ze zitten eten.

Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26 Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. 27 Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. 28 Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.

29 Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30 Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!’ 31 Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. 32 Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ 33 Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ 34 Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang.

Zingen: Jozef zoekt zijn grote broers (uit: Alles wordt Nieuw) 
Jozef zoekt zijn grote broers,
alle tien zijn ze jaloers,
op zijn jas en op zijn dromen,
als ze Jozef aan zien komen,
wordt zijn mantel afgerukt.
Diep zit Jozef in de put.

Met een slavenkaravaan
moet hij naar Egypte gaan.
Alle dromen zijn vergeten,
heel veel kwaad wordt hem verweten.
Jozef die onschuldig is
komt in de gevangenis.

Lange jaren gaan voorbij,
maar de Heer is hem nabij.
Nieuwe dromen worden wakker
door de schenker en de bakker.
Maar de schenker, hij vergeet
al wat Jozef voor hem deed.

Farao hoog op zijn troon
droomt een wonderlijke droom.
Daarom laat hij Jozef komen
en dan worden alle dromen
van de koe en korenaar
en de maan en sterren waar.

God heeft alles omgekeerd,
Jozef wordt als vorst vereerd,
en het kwade valt in duigen
en de broers ze moeten buigen:
zo houdt God door Jozefs hand
’t volk van Israel in stand.

Overdenking:  ‘Kleren maken de man’

Zingen: NLB 570

Want waar ben ik, als Gij niet wijd en zijd
waakt over mij en over al mijn gangen.
Wie zou ik worden, waart Gij niet bereid
om, als ik val, mij telkens op te vangen.
Ik leef niet echt, als Gij niet met mij zijt.
Ik moet in lief en leed naar U verlangen.

Spreekt Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt, en opneemt in uw vrede.
Ontsteek die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw zoon besteden.
Weest Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.

Gebed

Afsluitende woorden

Als naspel zingen: Opwekking 844
De God van Abraham, Isaac en Jacob
De God die eeuwig leeft en heersen zal
Zijn licht omgeeft ons zijn hand beschermt ons
Hij is voor ons onze God is voor ons

Ontvang de zegen van de Vader
Ontvang het leven dat Hij geeft
Ga in de kracht van Zijn genade
Ga met de vrede van Zijn Geest

De God van Abraham, Isaac en Jacob
De God die eeuwig leeft en heersen zal
Zijn licht omgeeft ons zijn hand beschermt ons
Hij is voor ons onze God is voor ons

Ontvang de zegen van de Vader
Ontvang het leven dat Hij geeft
Ga in de kracht van Zijn genade
Ga met de vrede van Zijn geest

Ontvang de zegen van de Vader
Ontvang het leven dat Hij geeft
Ga in de kracht van Zijn genade
Ga met de vrede van Zijn geest